Wie is online
5 bezoekers online
Voor alle nieuwe posts…

Volg ons op Twitter

Tweet het openingsbericht ->
Schrijf ons

Je kunt ons altijd schrijven via de contactpagina. Daar vind je ook richtlijnen, voor het geval dat je mail-notificaties wenst bij nieuwe 'posts' aangaande Best. 

Rubrieken
Opinie of niet?

ls een post op deze site begint met wat in de typografie heet een initiaal, zoals de A hier, bevat zij een mening of interpretatie van de schrijver.

English?

Translation by Google in Chrome: please, click the right mouse button and select 'English'.

Archief
januari 2015
Z M D W D V Z
 123
45678910
11121314151617
18192021222324
25262728293031

Een ongelofelijke maar ware familiegeschiedenis

Boekbespreking door Sante Brun


munninghoff

Eind jaren tachtig genoot ik het avondmaal in de toen pas geopende Russische Taveerne in Moskou, het eerste coöperatieve restaurant van de Sovjet-Unie die toen nog bestond. Ik was in gezelschap van enkele collega’s onder wie de Moskouse correspondent van de Gemeenschappelijke Persdienst, Alexander Münninghoff. Hij ontpopte zich daar met zijn sonore stem en licht bekakt accent als een zeer onderhoudende causeur, zag zelfs kans het personeel ertoe te bewegen de tv wat zachter te zetten zodat wij het gesprokene ook konden verstaan en genoot met ons, naar ik mij vagelijk herinner, onder andere van voortreffelijke blini’s.

 

 

 

 

Münninghoff was geen ‘run of the mill’ Nederlandse journalist – je kunt wel zeggen dat hij een van de laatste was in het vak die, zonder beroepsopleiding, bij de krant ging werken, bij menigeen destijds het laatste van ‘twaalf’ ambachten. Hij sprak vloeiend Russisch – hij had een Russische moeder en grootmoeder – was een tijdlang beroepsmilitair en doceerde Russisch aan de school van de Militaire Inlichtingendienst MID. Hij kwam uiteindelijk op de redactie van de Haagse Courant terecht, voor welke krant hij onder andere in Moskou werkte. (De Haagse Courant was lid van de GPD). Hij liefhebberde een beetje in de politiek en werd vaak door media geraadpleegd als het om de schaaksport ging. Hij schreef daar ook enkele boeken over.

In de vorige alinea’s vermeld ik een aantal ‘trivia’ uit zijn leven, die niet voorkomen in zijn meest recente boek, dat niettemin over hemzelf lijkt te gaan. Het boek heet namelijk De Stamhouder, en die stamhouder is hijzelf. Dat stamhouderschap heeft hem veel ongemakken bezorgd, zo blijkt uit het boek. Maar het gaat maar zijdelings over hemzelf, de hoofdmoot betreft de geschiedenis van zijn vader. Wie het boek gelezen heeft zal zijn of haar kinderen eens aandachtig aankijken met de gedachte: ik hoop dat geen van jullie op zo’n manier een boekje over mij gaat opendoen als ik eenmaal dood ben. Zelfs niet als het niet mooi is, maar wel helemaal de waarheid, zoals in het geval van De Stamhouder.

Nog maar zelden heb ik een boek gelezen dat op een dergelijke nuchtere toon, altijd met vermelding van naam en voornaam, adres en soms zelfs het huisnummer de geschiedenis van de laatste drie generaties van de eigen familie van de schrijver familie uit de doeken doet. De geschiedenis van de meeste families leent zich daar vaak ook niet voor.

Maar deze wel, en hoe.

Zijn grootvader Joan, die Alexander meestal studentikoos aanduidt met de term Oude Heer, was een Nederlandse ondernemer/handelaar die twee dingen goed voor elkaar had: hij was door zich te vestigen in Riga in Letland steenrijk geworden, de rijkste man van Letland, en hij had een verbijsterend sociaal en zakelijk netwerk over een groot deel van Europa, niet in het minst door het feit dat hij zeer streng katholiek was. Hij had connecties met de Britse spionagedienst MI6, waardoor hij bijvoorbeeld kennis maakte met John en Robert Kennedy, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog stond hij niettemin dusdanig in een goed blaadje bij het naziregime dat hij vrijwel onbelemmerd kon reizen, zelfs naar Zweden. Hij was daardoor herhaalde malen vroegtijdig in het bezit van informatie die hem en zijn familie het leven redde.

De beleving van de familie Münninghoffs van de oorlog was totaal anders dan van de rest van de Nederlanders. De Oude Heer en zijn familie (en nogal wat kennissen en buren) kwamen, bijvoorbeeld, zonder honger de hongerwinter door, omdat de Oude Heer enorme hoeveelheden voedsel met vooruitziende blik had opgeslagen in de kelders van het grote huis in Voorburg.

Hij had vier kinderen waarvan Frans de oudste was. De kinderen leidden een luxe leventje in Letland en voor Frans kwam daar een abrupt einde aan toen zijn vader hem naar een internaat in het Nederlandse Oss stuurde. Verdere wederwaardigheden in Nederland en wellicht ook een zekere puberopstandigheid maakten dat Frans helemaal niets van Nederland moest hebben. Op twintigjarige leeftijd nam hij dienst bij de SS, ‘niet omdat hij een nazi was, maar omdat hij een hekel had aan de bolsjewieken, die zijn familie verjaagd hadden uit Letland’ –de Oude Heer was, met een groot deel van de clan, in 1940, vlak voor de oorlog, in Voorburg neergestreken. In Letland was een belangrijk deel van de rijkdommen achtergebleven.

Frans ging er flink tegenaan bij de SS, maar zag toch kans om te trouwen met een jeugdvriendin, Wera, die op 13 april 1944, inmiddels op de vlucht voor de oprukkende troepen in Posen in Polen terecht was gekomen, beviel van Alexander.

Na de oorlog verzamelde de clan zich in Voorburg, waar de Oude Heer vanuit de Herenkamer met strenge hand regeerde en en passant ook weer een nieuw fortuin opbouwde. Frans wilde intussen nog steeds niet deugen. Om een lang verhaal kort te maken: hij overleed in 1999 in een rijtjeshuis in Bladel – hij had zich doodgezopen en liet een spoor van ellende achter, niet alleen financieel maar ook relationeel – het wemelt van de vriendinnen en zelfs van geheime buitenechtelijke kinderen, niet alleen van hemzelf, maar ook van Wera en andere familieleden. Als ondernemer toonde Frans zich een naïeve mislukkeling die niets leerde bvan zijn ervaringen. En hij trok zich niets aan van zijn zoon Alexander. De familie ruziede uiteindelijk vrolijk door, familieleden spanden processen tegen elkaar aan, besprongen elkaars echtgenoten en zo voort, voor de details moet je toch echt het boek lezen.

Alexander kon het boek, dat hij al langer in zijn hoofd had, pas schrijven na de dood van de meeste in detail beschreven familieleden. Bij de Oude Heer en elders trof hij de befaamde schoenendozen met papieren aan die nodig waren om het boek te kunnen schrijven.

Dit is een van de zeldzame boeken die ik feitelijk niet kon wegleggen toen ik er eenmaal aan begonnen was, en afgelopen nacht heb ik zelfs helemaal doorgelezen tot het eind – de gruwelijkste details over mensen die down the drain gaan door drank- en drugsgebruik, op geniepige wijze van hun geld beroofd worden, door bedrog en naïveteit en onderlinge haat elkaar naar de verdommenis helpen.

En dat allemaal verteld op een manier die elke goede journalist moet beheersen: een nuchter en helder feitenrelaas. De werkelijk ongelooflijke wederwaardigheden van de familie worden beschreven met een zekere achteloosheid, waarin maar af en toe een spoortje ironie opduikt en iets vaker kille gevoelens van haat tegen de klootzakken die de schrijver dit alles aangedaan hebben. Met name tegen het eind ademt het boek een vastberaden verbeten grimmigheid. Alexander grijpt zijn kans en rekent resoluut af.

Je wordt diep getroffen door dat eenzame jongetje, eenzaam gemaakt door vooral zijn grootvader die in hem alleen de stamhouder ziet, zijn vader, zijn moeder, die hem ook nog gebruiken als speelbal van hun ruzies, een jongetje dat soms alleen aanspraak heeft aan zijn hond en een tijdlang op zondagmorgen brallende verhalen moet aanhoren van zijn dan al halfdronken vader over zijn heldendaden als SS-er aan het Oostfront.

Wat een verhaal. Kopen, dat boek!

Een reactie op “Een ongelofelijke maar ware familiegeschiedenis”

  • Heb ik dus gedaan en gaandeweg een zekere verwantschap in ironische, om niet te zeggen sarcastische, stijl van bijna generatiegenoot/collega Brun met die van Münninghoff bespeurd. Misschien raar, maar waar. Vanuit journalistiek oogpunt bezien is dit meesterwerk (dixit Tim Krabbé) een specimen van gedegenheid en meeslepend formuleren, zoals je het zelden meer ziet. Hoogste prijs non-fictie gloort aan de einder.
    Als je al ver over de helft bent, denk je, nu zal de kou toch zo langzamerhand wel uit de lucht zijn, maar niets is minder waar. Vandaar die half-doorwaakte nacht van Brun.
    Toch heb ik M. op een, zij het tamelijk onbetekenend, foutje kunnen betrappen, namelijk de lokalisering van de sigarenfabriek ‘De Huifkar’ in Oirschot, in plaats van Oisterwijk (komt waarschijnlijk door de verwantschap van deze plaatsnamen met de middelnederlandse verlengde O). Ik zou dit niet hebben vermeld, ware het niet dat M. op bladzijde 90 van zijn boek, een curieus gegeven uit de oorlogsgeschiedenis uit de doeken doet.
    Alphons Hamers, eigenaar van deze gerenommeerde sigarenfabriek, getypeerd als ‘onverbeterlijke bon vivant’, woonde tijdens de oorlog in Hotel des Indes aan het Haagse Voorhout, waar hij, naast zijn suite, een tweede kamer had gehuurd om er zijn enorme sigarenvoorraad in te kunnen opslaan. Blijkt dat die havana’s een lucratief handelsobject vormden, niet alleen voor Hamers, maar ook voor grootvader Müninghoff, bij zijn listig en mistig geschipper tussen bezetter en min of meer zuiver op de graad zijnde Nederlandse, vooral rooms-katholieke, hotemetoten.
    Dit is net even meer dan een anecdote, denk ik.
    Meer over Hamers en zijn in 1899 gestarte Oisterwijkse sigarenfabriek is te vinden op Wikipedia

Reageer op Guido