Wie is online
8 bezoekers online
Voor alle nieuwe posts…

Volg ons op Twitter

Tweet het openingsbericht ->
Schrijf ons

Je kunt ons altijd schrijven via de contactpagina. Daar vind je ook richtlijnen, voor het geval dat je mail-notificaties wenst bij nieuwe 'posts' aangaande Best. 

Rubrieken
Opinie of niet?

ls een post op deze site begint met wat in de typografie heet een initiaal, zoals de A hier, bevat zij een mening of interpretatie van de schrijver.

English?

Translation by Google in Chrome: please, click the right mouse button and select 'English'.

Archief
december 2013
Z M D W D V Z
1234567
891011121314
15161718192021
22232425262728
293031  

In De Jonge Jan door Herman Heijermans (8)

 

In De Jonge Jan

Achtste toneel

Officier – schrijver
– bode – Jan Arend

OFFICIER
tot bode: Laat Jan Arend nog eens hier komen.

De telefoon rinkelt.

OFFICIER:
Ja? Is u daar Biesen? Zo? Is dat positief zeker? En wanneer is dat gebeurd, zegt deurwaarder Joosten? Noteert. Tweehonderddrieënzeuventig gulden vijftig. Ja ƒ 273,50 zonder protestkosten. Zo zo. Merci. Ja, verzegelen brigadier.

Tot Arend die de laatste woorden gehoord heeft: U wil zeker wel zo vriendelijk zijn, over ’n uur met me mee te gaan naar de plaats van de brand?

JAN:
As ’t mot. Ja.

OFFICIER:
Heeft u in de getuigenkamer nog eens gedacht over sommige vragen die ‘k u heb gesteld?

JAN:
Nee, meneer, er viel niks meer te denken.

OFFICIER:
Dan is u dus wel buitengewoon zeker van uw verklaringen? Er was geen petrolie in huis?

JAN:
Nee, meneer.

OFFICIER:
Zaterdagavond niet? Zondagochtend niet? Jan schudt ontkennend het hoofd. Stilte. U had geen zorgen?

JAN:
Nee meneer!

OFFICIER:
Jan Arend! Zondagochtend is er geen petrolie gehaald?

JAN:
Niet da’k weet…

OFFICIER:
Niet door ’t kind?

JAN:
Nee. Nee. En ás ’t gehaald is, weet ‘k ’t niet, weet ‘k ’t niet. ‘k Hei wat anders te doen dan ’t huishouen na te rijen.

OFFICIER:
Als u geen zorgen had, waarom leende u dan van uw schoonvader?

JAN:
Wie zeit dat?

OFFICIER:
Dat zeg ik. Ik.

JAN:
Ik hei nooit geleend.

OFFICIER:
Laat ik me dan nauwkeuriger uitdrukken. Waarom leende uw vrouw?

JAN:
Ik hoef niet te weten wat me vrouw doet.

OFFICIER:
En u hoeft niet te weten wat uw dochtertje doet. Uw dochtertje, dat zondagmorgen petrolie haalt.

JAN:
Niet dat ik weet.

OFFICIER:
U stond aan de deur. U stond aan de deur!

JAN:
Die dat zeit liegt.

OFFICIER:
Als u niet kalmer kunt antwoorden, zal ik het onderhoud afbreken.

JAN:
Ik kan niet rustig blijven as ze zó de leugens, de leugens…

OFFICIER:
Die leugens zullen we onderzoeken. Als de Jonge Jan zo goed ging, waarom stond u dan in de schuld bij kruidenier Post?

JAN:
Dat was geen schuld, dat heit iedereen.

OFFICIER:
En is ’n geprotesteerde wissel geen schuld? ‘k Vraag antwoord, Jan Arend! Deurwaarder Joosten heeft drie weken geleden ’n wissel van…van tweehonderd
drie en zeventig gulden vijftig cent gepresenteerd. Dat wist ik bij je eerste ondervraging niet.

JAN:
’t Goed was niet in orde.

OFFICIER:
Welk goed?

JAN:
De tabak. Ze was nattig. ’t Scheelde ’n week later tien pond aan gewicht.

OFFICIER:
Wel! En waarom heeft u dan niet dadelijk gereclameerd?

JAN:
Omdat…

OFFICIER:
Omdat u liegt.

JAN:
‘k Lieg er geen woord van. Geen woord.

OFFICIER:
U heeft de deurwaarder geantwoord… ‘Te vroeg gepresenteerd’.

JAN:
Dat is zo. Dat kwam er bij. Afspraak was dat…

OFFICIER:
Hou je mond maar. ‘k Heb meer te vragen. U heeft de raampen recht geslagen, nietwaar?

JAN:
Ja…dat meen ik.

OFFICIER:
Toen u de deur achter u sloot had u in de ene hand ’n kistje sigaren voor uw schoonvader, in de andere een wandelstok, nietwaar?
’n Kistje sigaren voor ’n schoonvader die niet rookt, da’s iets heel bijzonders.
En de wandelstok, waar is de wandelstok gebleven? U heeft geen wandelstok meegebracht, zegt uw schoonvader.

JAN:
Dat ken die niet weten. Hij is suffig. En de bak, de bak voor de paraplu’s staat benejen.

OFFICIER:
Gijs Blankert zegt dat u geen wandelstok hééft.

JAN:
Dat zuigt-ie uit z’n duim. ‘k Hei d’r pas een gekocht.

OFFICIER:
Post, je overbuurman, heeft je met lege handen zien uitgaan.

JAN:
Dat liegt-ie. Post is ’n schobbejak. Van iedereen in ’t dorp leit-ie te klessen en kwaad te spreken.

OFFICIER:
’t Lijkt toch geen sikkepit op kwaadspreken als je verklaart dat iemand zich het zweet van z’n voorhoofd veegde, precies ’t zelfde wat je nou doet. Je
had dus wèl ’n kistje sigaren en ’n stok in je handen?

JAN:
Daar neem ik geen woord van werom.

OFFICIER:
En dat kistje is natuurlijk onderweg zoekgeraakt, want je schoonvader mag voor z’n dokter niet roken. Herinner je je iets van dat kistje?

JAN:
Nee, in de hurrie van de brand…

OFFICIER:
Juist. Juist. Jan Arend, je bent niet gelukkig met je antwoorden. Kon ’t kind met de sleutel in huis komen?

JAN:
Da weet ‘k niet.

OFFICIER:
De raampen had je recht geslagen, zeg je, en ’t kind kon de deur niet alleen openmaken. Hoe is ’t kind dan in huis geraakt? Stilte. Heb je me niet verstaan, Jan Arend?

JAN:
‘k Snap er niks van, me kop is helemaal in de war.

OFFICIER:
Om half vijf heb jij de deur achter je dichgetrokken – je eigen verklaring – en om half vijf heeft Post je zién heengaan. Om half zes liep je nog met Bik op en neer. Wat heb jij van half vijf tot half zes gedaan?

JAN:
‘k Ben na me schoonvader gewandeld.

OFFICIER:
Dat was na half zes.

JAN:
’t Was kort na vijven.

OFFICIER:
Hoe weet je dat zo nauwkeurig?

JAN:
Omdat…omdat… Waar mot ‘k zo lang hebben gezeten?

OFFICIER:
Dat ’s juist wat ik weten wil. Om vijf uur is Ansing heen gegaan, maar tussen vijf en half zes kan ’n boel gebeuren.

JAN:
As ’t kind de sleutel had, kon ‘r toch niemand in ’t huis. Al was ‘k eerst om zeven bij m’n vrouw en me schoonvader gekommen, ‘k had nie in huis gekend.
Dat was glád onmogelijk. Dat geef ‘k iedereen te doen om in ’n gesloten huis te kommen! Om half vijf hebben ze me op straat gezien, laat ’t half zes weze voor mijn part, ik kan ‘r niet in…

OFFICIER:
En door ’t raam?

JAN:
’t Raam was op de pin en al was ’t niet op de pin geweest, ’n man kon er niet door.

OFFICIER:
Als u dat zó zeker wist, waarom heeft u dan nutteloos ’n raampen rechtgeslagen?

JAN:
Je doet wel es meer van die dingen die…die…

OFFICIER:
Jan Arend, heb jij je kind nog gezien na de brand? J. ontkent. Waarom niet?

JAN:
’t Zag er zo schrikkelijk uit…

OFFICIER:
Ze had blond haar, nietwaar? En blauwe ogen, nietwaar?

JAN:
Ja! Ja!

OFFICIER:
De brigadier heeft me daarstraks bericht dat de sleutel gevonden is. Gevonden in de ruïne op de plek waar de bedstee was. Ik denk zo, Jan Arend, dat jouw ongelukkig dochtertje door ’t raam is geklommen, toen ‘r nog geen, of toen ‘r pás brand was…was gesticht. Dat ze, doodmoe van ’t ravotten, in de bedstee is gekropen, even heeft liggen spelen met de sleutel, de sleutel
met de letters I D J J, dat ze lachend is ingeslapen, de sleutel in ‘r handje.

JAN:
Ja! Ja!

OFFICIER:
De sleutel had jij ‘r gegeven, wetend of hopend dat ze ‘m zou verliezen, dat kennissen of vreemden ‘r zouden zien met de sleutel. Dan was ’t bewijs klaar, nietwaar, ’t bewijs dat jij noch je broer – je broer die onder jouw invloed stond – in ’t huis waren geweest. Dat is je gelukt. Maar ’t toeval heeft gewild dat je eigen kind de dupe is geworden. Je kind, Jan Arend. De straf is ontzettend. In jouw plaats zou ‘k eerlijk bekennen. ’t Moet vreselijk zijn, zo’n geheim alleen te hebben…

JAN:
En as…ás ’t zo gebeurd is, is ’t niet erg genoeg?

OFFICIER:
’t ís zo gebeurd, Jan Arend.

janJJJAN:
’t Is zo gebeurd! ’t is zo gebeurd! ‘k Ontkom er niet aan. ‘k Zit in de kneep. Douw me de kast in, me hele leven. Douw me d’r vandaag in. La me nie meerlos. ‘k Wor gek. ‘k Wor ‘r krankzinnig onder. Jij, jij hei me op de pijnbank gehouen, met de petrolie, met de pin, met alles! Jij hei me zitten martelen op je gemak, as ’n duvel, terwijl ‘k al de tijd niks anders voor me gezien heb as me kind, me kind met ‘r blonde haar, me kind met ‘r blauwe oogjes, me kind met ‘r zondagse jurkie… Me kind dat ze gevonden hebben met ’t koperen ringetje an ‘r vinger, ’t ringetje da ‘k verleje week voor ‘r gekocht hei… Jij zit me te sarren, terwijl me hersens koken, terwijl ‘k loop te prakkezeren hoe ‘k me van kant kan maken.

Stilte.

OFFICIER:
Ik ken maar één plicht, Jan Arend. De plicht, opgelegd door m’n ambt. En nou je eindelijk de goede ingeving hebt, te bekennen…

JAN:
Ik beken niks! Niks! Wat ‘k gezeid heb, wat ‘k raaskal, komt uit m’n kop die barst. Die gèk, gèk wordt.

OFFICIER:
Jan Arend, na schuld kan boete rust geven.

JAN:
As m’n vrouw hoort, as m’n vrouw weet dat ik… Ze was zo mal met ’t kind. Ze heit zo getobd om ’t in leven te houen…. As ‘k in de kast mot, geef dan levenslang, jij. Da ‘k niemeer onder d’r ogen hoef te komen.

OFFICIER:
Waarom ben je zo misdadig geweest, Jan Arend, om zó, met voorbedachte rade, brand te stichten? En waarom je schuld verzwaren door ‘r ’n achterlijke broer in te betrekken?

JAN:
‘k Hei ’t alleen, alléén gedaan.

OFFICIER:
Ben je dan in de woning teruggekeerd? J. knikt. En heb je ’t kind de sleutel na de brandstichting gegeven? J. knikt. Hoe wist Ansing dan dat…dat ’t kind in huis was?

JAN:
Toen ‘k de boel had angestoken, gejaagd as ’n beest, bang voor morgen, bang voor overmorgen, kwam ‘k ‘m ’n kwartier later tegen net… net… toen ‘k
na me schoonvader zou gaan. Toen zee die: as je d’r zoekt, dan leet ze thuis, ‘k hei ‘r ’t raam zien binnenklimmen. Toen mot ‘k iets geschreeuwd hebben… dat de boel in brand sting… is die… is die weggehold.

OFFICIER:
En jij, jij, de vader ben naar je schoonvader gegaan…

JAN:
Omdat ‘k nie dorst, omdat ‘k bang was dat ze me gezicht zouen zien. En ‘k geloofde ‘m niet, ‘k dacht dat ze na d’r moeder was gelopen, dat ze op straat
speelde. Toen ‘k ‘r niet bij me schoonvader vond hei ‘k nog me bek gehouwen, want me vrouw wist van niks, me vrouw weet nog van niks, me vrouw weet nog
niet dat ik…ik…

Stilte.

OFFICIER:
Als ik als mens had te oordelen, Jan Arend, zou ‘k menen dat je zwaarder bent gestraft dan mensen ’t kunnen. Maar de loop van ’t gerecht valt na ’t gebeurde,
na ’t openbaar onderzoek niet te stuiten. Dat mag ‘k niet. Dat mág niet. Schelt.

Stilte.

JAN:
’t Is beter zo. As ‘k me vrouw maar niet terug hoef te zien.

OFFICIER:
Je blijft in arrest.

JAN:
Da’s goed, da’s goed. As ‘k me vrouw maar niet…

OFFICIER:
Deze man blijft tot m ’n beschikking. Ansing Arend!

Klik hier voor de slotscène

Reageer