Wie is online
5 bezoekers online
Voor alle nieuwe posts…

Volg ons op Twitter

Tweet het openingsbericht ->
Schrijf ons

Je kunt ons altijd schrijven via de contactpagina. Daar vind je ook richtlijnen, voor het geval dat je mail-notificaties wenst bij nieuwe 'posts' aangaande Best. 

Rubrieken
Opinie of niet?

ls een post op deze site begint met wat in de typografie heet een initiaal, zoals de A hier, bevat zij een mening of interpretatie van de schrijver.

English?

Translation by Google in Chrome: please, click the right mouse button and select 'English'.

Archief
maart 2011
Z M D W D V Z
 12345
6789101112
13141516171819
20212223242526
2728293031  

De Indo roept: Juffrouw Jansen, hoe laat is het?

Boekbespreking door Sante Brun


Dit is zo’n boek waarvan je voortdurend denkt: daar ben ik bij geweest. Of bijna bij geweest: Asta’s Ogen, van Eveline Stoel. Het is de geschiedenis van een grote familie Indische Nederlanders, aan de hand van het levensverhaal van Asta Hoyer-Fredriks, geboren in Soerabaja, Java in 1917, overleden in Oss, Noord-Brabant in 2003.

Je ziet ze nog altijd met grote regelmaat, die overlijdensadvertenties, mensen met een onmiskenbaar Hollandse naam, geboren in het toenmalige Nederlands Indië, overleden in Nederland. Je denkt dan onwillekeurig aan het boek Rubber van Marion Szekely-Lulofs, waarin een ietwat schril beeld wordt geschetst van het leventje dat de gemiddelde botte Hollandse planter leidde in het begin van de vorige eeuw.

Maar die planters waren niet typisch. Asta Hoyer-Fredriks was typisch. Haar naam en die van haar man waren in ‘Indië’ achtergelaten door Nederlandse (althans Europese) planters en ambtenaren in de vorm van bij ‘inlandse’ vrouwen verwekte kinderen.

Journalist

Eveline Stoel is getrouwd met een achterkleinkind van Asta. Ze is een kennelijk historisch geschoolde journalist, maar in de verantwoording zegt ze wel dat ‘Asta’s verhaal … alleen tot leven kon worden gewekt door gebruik ter maken van literaire middelen. Om de echtheid van de familiegeschiedenis te waarborgen, heb ik dit echter zo terughoudend mogelijk gedaan.’ In die opmerking zit uiteraard ook: ik kon mijn familie natuurlijk niet voor het hoofd stoten door al te veel minder welgevallige details te vermelden.

Dit allemaal gezegd hebbend moet ik constateren dat Stoel een buitengewoon goed, boeiend, levendig en uiterst gedetailleerd beeld heeft weten op te roepen van de Indische Nederlander in de heyday van de kolonie, in de verschrikkelijke tijd van de Japanse bezetting, in de Bersiaptijd waarin Indische Nederlanders hun leven al helemaal niet zeker waren, in het langzaam doordringende besef dat ze zouden moeten vluchten uit een maatschappij die de hunne was, maar hen niet móest.

In 1955 was het zo ver: Asta, inmiddels weduwe, vertrok met moeder en haar zeven kinderen naar Nederland – van een prachtige witte villa in tropisch Soerabaja (weliswaar op dat moment bewoond door een aantal gezinnen) naar een piepklein naoorlogs arbeiderswoninkje in winters Oss. Van een snel afkalvende positie als onderdeel van de heersende klasse naar een uithoek van een samenleving die minstens onverschillig is maar ook superieur neerkijkt op bruine, wat zeg ik, blauwe mensen.

‘Ossisch’

Hier kiest Stoel de kant van de immigranten, die in vergelijking tot de stijve, boerse Hollanders modieus zijn, uitgaanstypes, gek op feest en dans, bestudeerd slordig en rommelig, nogal kosmopolitisch. En dat allemaal in de bekrompen ‘Ossische’ samenleving die het allemaal hoofdschuddend aanziet. De ‘Indo’s’, intussen, weten vaak beter hoe het hoort in Nederland dan de Nederlanders, spreken beter Nederlands, zijn ambitieuzer. Maar in hun arbeiderswijk in het bekrompen stadje Oss kunnen ze met die eigenschappen weinig of niks – het keert zich soms zelfs tegen hen.

Maar ik zei: daar ben ik bij geweest. Ondanks intensieve contacten met veel Indische Nederlanders heb je toch eigenlijk geen idee van wat zich afspeelde, omdat de ‘Indo’s’ stilletjes integreerden, het er niet over wilden hebben, hoogstens zeiden dat ze niet terug wilden, dat ze in Indonesië niks te zoeken hadden.

Gestoken beeld

Ik moest bij het lezen steeds denken aan Mary en Helena, Indische Nederlanders in Nijmegen in de jaren vijftig, mooie meiden die prachtig Nederlands spraken en fantastisch konden dansen. Ik moest denken aan het kind van een familie ‘Indo’s’ die was neergestreken in mijn eigen arbeidersbuurt, die in een vrijwel leeg huis woonden en die je vier- of vijfmaal per dag over de schutting aan de buurvrouw kon horen vragen: ‘Juffrouw Janssen, hoe laat is het?’ Aan Karel, die graag wilde doen of hij mata gelap had, en met vlijmscherpe messen jongleerde; aan Piet Koot, een echte Fries, die altijd wel een bordje rendang, soto of lontong voor je had, de sergeant in militaire dienst die zich aan de dienstplichtigen voorstelde: ‘Mijn naam is Pan Alpen,’ aan de kapitein Souwijne die als enige in het hele bataljon ooit echt met de bajonet gevochten had en het griezelig echt kon voordoen.

Eveline Stoel heeft een gestoken scherp beeld gegeven van de Indische Nederlander, maar heeft ook mijn eigen jaren vijftig doen herleven – inclusief de fabrieken van Zwanenberg, Unox en Hartog in Oss. Misschien ben ik daar, als werkstudent, destijds wel eens een Hoyer tegengekomen.

Wat zeker is: er was er nooit een op de feestjes van Anje de R. Want die woonde in een ontzettend nette villawijk van Oss, waar de immigranten uit ‘ons Indië’ natuurlijk niet gewenst waren.

Een reactie op “De Indo roept: Juffrouw Jansen, hoe laat is het?”

Reageer