‘Cultuur’-rubriek
Geen ‘puist’ aan Oosterhoutse Sint Jan
De basiliek van Sint-Jan in Oosterhout, een van de mooiste staaltjes van Brabantse gotiek, krijgt geen aanbouw. De gemeenteraad heeft daar een stokje voor gestoken, zo meldt de website van BN/De Stem.
Miniatuurbotsing van culturen
In Heeze is enige commotie ontstaan rond een ‘vernieuwende’ poster –> van de 53e Brabantse Dag. Het Eindhovens Dagblad , dat de meningen in het dorp peilde, spreekt zelfs van een ‘omstreden’ affiche. Niemand heeft zich overigens tot nu toe geroepen gevoeld, op verwijdering aan te dringen, respectievelijk tot wederrechtelijke actie in die zin over te gaan. En de pastoor van Heeze laat de poster ook gewoon hangen. Ik denk dat we het kunnen houden op een ‘botsing van culturen’. In miniatuur, wel te verstaan.
Sint-Janstros
Vandaag, 24 juni, is het Sint-Jan. Het gaat om Johannes de Doper, de neef van Jezus die een half jaar ouder zou zijn geweest. (Ja de r.-k. kerkelijke kalender zit goed in elkaar). De man die, gevraagd of hij de messias was, antwoordde: ‘Nee, die komt nog en ik ben niet waardig om zijn schoenriem los te maken.’ En die dus Christus doopte in de Jordaan. Hij zou op last van koning Herodes worden onthoofd. De fotomontage toont de brink van Zandoerle (Spreek uit Zandoers), een van de markantste plekjes in de Nederlandse Kempen. Sint Jan heeft in de gemeenschap daar altijd een belangrijke plaats ingenomen. Zondag 27 juni is er dan ook weer de Sint-Jansmarkt.
Ik ben vanuit Best binnendoor (het alternatief is de Eindhovense Randweg, maar die is voor de haastige mens) naar Zandoerle, gemeente Veldhoven, gereden om te kijken, wat er nog over is van het gebruik, de Sint-Janstros naast de voordeur te hangen.
De Wieger toont, zoals ‘t hoort, kunst uit de regio
Merkwaardige expositie – qua samenstelling – gezien, in Museum De Wieger te Deurne. Kunst uit de regio, zoals het dit musuem, ooit het huis met praktijk van medicus-pictor Hendrik Wiegersma, betaamt.
Stillevens, die je kunt eten (de pruimen) en bevoelen (zoals een loshangend touwtje), je zou denken dat ze niet meer gemaakt worden. Zo wel door Willie Berkers uit datzelfde Deurne. ‘Zijn werk wordt gekenmerkt door concentratie, geduld en een grote ambachtelijkheid,’ zegt de uitnodiging. -> Meester van de stofuitdrukking zou mijn goede vader hebben gezegd.
Volgens de hedendaagse opvattingen – waarin zelfs het woord stilleven niet meer getolereerd wordt – is dit geen ‘kunst’ meer, maar er is minstens één stukje bij dat ik verdomd graag aan de muur zou willen hebben. Het is overigens geen verkooptentoonstelling.
Te wapen tegen de proletisering!
Ooit was De Kroon in Breda een grand hotel, hét huis ter plaatse, gevestigd aan de Boschstraat. Eerder heette het La Couronne., Staat dat niet meer met de kroon-zelve in tekst bovenaan de imposante gevel? Een chique hotel, dat vanzelfsprekend zijn gasten per rijtuig van het station liet halen. Sint Nicolaas placht er zijn paard te stallen en in de duurste suite zijn intrek te nemen. De Kroon vertegenwoordigde een stuk Bredase historie.
Is niet meer, althans heet partycentrum. Er is aanleiding op te roepen tot een kruistocht tegen de proletisering.
Lees verder op Manieren
In ‘t Kempisch is het ‘nne krommen ärrem
zegt Johan Biemans
in een reactie op het artikeltje Krom over de wijze waarop Oirschot een tentoonstelling over gebruiken rond geboorte aankondigt. Lees zijn humoristische notitie.
Krom
Wil je een oplopende discussie, dan moet je over voetbal beginnen, of over taal. Nog erger: dialect. ‘n Tijdje geleden interviewde ik de Bergeijkse zanger, voordrachtkunstenaar en heemkundige Johan Biemans en die zei niet alleen, maar toonde ook aan: ‘De taal verschilt per straat’. Kun je je het welles-nietes voorstellen.
Ik waag het er toch maar op, ofschoon ik het over Oost-Brabantse verschijnselen wil hebben, terwijl ik zelf uit West-Brabant kom. Daar eddet al.
In Museum De Vier Quartieren (houd de verklaring van deze naam even van me te goed – ik meen dat het om vier landstreken gaat, gelegen in de Meierij van ’s-Hertogenbosch). Maar in dat streekmuseum dus, daar loopt tot en met 15 mei 2010 een tentoonstelling over gebruiken rond de geboorte. De titel van deze expositie, die het museum je van affiches toeroept, luidt: Met d’n kromme erm. Waar slaat dat op? Op de houding van een vrouw die met een mand vol lekkers aan haar arm op kraamvisite gaat.
Lees verder op Manieren
Bibliotheken laten hun vernieuwingen zien
De bibliotheek heeft zich de laatste jaren vernieuwd. Het producten- en dienstenaanbod is flink uitgebreid en gebruiksvriendelijkheid staat hoog in het vaandel. Toch blijkt niet iedereen dat te weten. Reden genoeg voor een (her)ontdekkingscampagne: op 12 en 19 december nodigt een promotieteam bij het Heerbeeck College en op de weekmarkt in het centrum Bestenaren uit, de bibliotheek te (her)ontdekken.
Kees Bol (1916-2009) Brabantse topschilder
Ferd Op de Coul op Plein 568X 19 september 2009: Groet aan Kees Bol, de grote Brabantse kunstschilder, die op bijna 93-jarige leeftijd in Heusden is overleden. Hij werd 16 sept. 1916 in Oegstgeest geboren, maar vestigde zich in 1935 in Eindhoven, later in Heusden.
Bol was opgeleid aan de Kunstacademie Den Haag en kreeg vooral naam als briljant landschapsschilder. Maar ook zijn portretten en stillevens getuigden van intensief waarnemen, betrokkenheid en eigenzinnige vorm- en kleurvermogens. Zijn landschappen vormen een harmonische twee-eenheid tussen impressionisme en expressionisme. Graag schilderde hij in zijn geliefde Frankrijk en ook als leraar heeft hij roem verworven.
Veel Brabanders, onder wie Broer Dobbelsteen,Theo Kuijpers, Ank Overweel, Har Sanders en Nathalie van den Eerenbeemt, hebben zich mede onder zijn leiding tot vooraanstaande kunstenaars kunnen ontwikkelen.
Afscheidsdienst maandag 21/9 in Heusden (NH Catharijnekerk, 15.00 u) .
De Vuurwolf: historie, legende, fantasie
(Lezing voor Bredase Stadssocieteit De Gouden Cirkel op 24 januari 2005 door Guido t’Sas. Deel 3. De toneelschrijfkunst van Henri t’Sas.)
In de tweede helft van de jaren dertig maakte Henri t’Sas met de beeldhouwer Leen Douwes een kampeertocht per woonwagen (de caravan moest nog uitgevonden worden) naar de Belgische Kempen. Het weer zat niet mee en de kou dreef de mannen, die al niet meer van de jongsten waren, naar de stammenee-kachel.
Daar hoorde t’Sas een versie van de legende ‘Het Heggewonder van Poederlee’.
Dit ‘mirakel’ met een uit de Sint-Amelbergakerk in Wechelderzande geroofde kelk of ciborie, inspireerde hem tot het toneelspel De Vuurwolf. Het wonder neemt in dit stuk een bescheiden plaats in, temidden van de door de schrijver verzonnen, romantische intrige.
De kerkdiefstal is historisch. Een zekere Jan van Langerstede pleegde zijn heiligschennende daad op 28 januari 1412 en werd daarvoor op 5 februari opgeknoopt. Tevoren had hij opgebiecht, waar hij de hosties had gelaten. Dat bleek volgens het later eraan toegevoegde verhaal een konijnenpijp te zijn. Bij onderzoek trof men ‘konijntjes aan met de hosties in hun pootjes’. De kerkdief zou in zijn vlucht zijn gestuit doordat zijn paard weigerde, een brug over de Aa bij Poederlee te passeren. Hij zou zich toen van zijn last hebben ontdaan.
Op de plaats van de vondst (destijds woeste heide, nu een mooi loofbos ‘n paar honderd meter ten oosten van de weg Poederlee-Herentals) verrees in 1441 een bakstenen gotische kapel, die er nog steeds staat.
Afbeelding: A. van Ysendyck (1801-1875). Uit serie ‘Het wonder van de Hegge’. De vinding van de H.Hosties, 1823 (Detail.) De dief Jan van Langerstede wijst aan de schout en het volk de plek bij de Hegge in Poederlee waar hij de hosties uit de gestolen kelk heeft weggegooid. (Herentals, Sint-Waldetrudiskerk.)
De schilderkunst heeft zich uitvoerig met het Heggewonder bezig gehouden. Zo wijdde de Herentalse schilder A. van Ysendyck (1801-1875) zelfs een serie olieverfschilderijen aan dit kleurrijke verhaal. In de Waldetrudiskerk in Herentals kan men zijn uitbeelding zien van het wonder: de geboeide dief wijst de schout en het volk de plek bij De Hegge, waar hij de hosties heeft weggegooid. Konijntjes zitten er als in aanbidding omheen!
Heeft Henri t’Sas dit schilderij gezien? Zijn regie-aanwijzingen bij het voorgeleiden van Lode van Renterghem, alias De Vuurwolf, geven dat te denken. Ook zijn idee, om de vrouwen van Wechelderzande en Poederlee een smeekschrift bij de hertogin van Brabant te laten deponeren, om verzachting van straf te verkrijgen, kan door de historie zijn geïnspireerd. Hoge vrouwen in Herentals hebben namelijk bij de schout een zekere bekorting van de straf voor Van Langerstede weten te bereiken.
Een joods karakter
Henri t’Sas heeft het verhaal volledig naar zijn hand gezet. Hij heeft geen ‘mysteriespel’ willen schrijven maar een onderhoudend openluchtspel, waarin het draait om de liefde van de Antwerpse koopmanszoon Lode van Renterghem voor de herbergiersdochter Godelieve, een liefde die hij met geroofd goud denkt te verdienen. Al gauw blijkt, dat hij dan aan het verkeerde adres is.
Maar Lode heeft nog meer redenen om op rooftocht te gaan. Hij heeft (als Van Langerstede) schulden, met name bij de Antwerpse geldhandelaar Nathan. Delaatste zit hem met hulp van de justitie op de hielen. Een prachtig uitgangspunt voor t’Sas om een hilarisch type op het toneel te zetten. ‘n Soort Shylock. Maar anders dan Shakespeare, gebruikt t’Sas zijn toneeltekst om het een en ander over stereotiepe opvattingen over joden recht te zetten.
Als er zoiets bestaat als ‘een joods karakter’ – en t’Sas vond van wel, zich baserende op vriendschappen met joodse mensen in zijn jonge jaren – dan is het buitengewoon moeilijk de grens te bepalen tussen wat een typering is van dat karakter en wat een ordinair en kwalijk gebruik is van stereotypen. Het lijkt dat hij daar in De Vuurwolf in is geslaagd. Waar Nathan in een ongunstig daglicht komt te staan, heeft dat vooral te maken met de (voor)oordelen van zijn christen tegenpolen. Nathan laat geen kans onbenut, zijn christelijke critici de bal terug te kaatsten (’Zijn jullie weer bezig, elkaar te beëvenaasten?’) en op zeker moment openbaart hij zijn levensfilosofie. Die is in niet geringe mate bepaald door het toeval, dat hij als jood (dus als gediscrimineerde en getreiterde mens) is geboren. Want: ‘het leven is geen jaarmarkt, waar ge uw vader en moeder te kiezen hebt uit het ongeregeld goed’. Als een monnik hem aanspreekt met ‘vriend’, antwoordt hij: ‘Dat mag ik horen: vriend! U is de eerste die dat tot mij zegt. En nochtans, Diogenes in zijn klassieke ton heeft, met z’n lantaarntje in z’n hand, niet zó bloedig naar ‘n mens gezocht als ik naar ‘n pietsie vriendschap’.
Nathan neemt een dominante plaats in, in De Vuurwolf. Als het er op aan komt zelfs een interessantere plaats dan het titelpersonage. En hij heeft het laatste woord. Zijn reacties en commentaren op wat er gebeurt ‘dragen’ als het ware het stuk, waarbij de toeschouwer steeds meer van Nathan gaat houden. Zijn mengeling van joodse slimheid en wijsheid contrasteren met het karakter van de christen hospes Beernaert, die zich laat kennen als een toonbeeld van domheid, lafheid en huichelarij.
Kempische Robin Hood
De hoofdfiguur Lode van Renterghem is niet zomaar een bandiet. In zijn ziel ‘worstelen engel en duivel om de overhand’, zo luidt de barokke typering die de auteur er zelf ooit aan gaf. Van wat hij rooft, geeft hij met gulle hand aan de armen. Als een Kempische Robin Hood. Enerzijds jaagt hij de simpele zielen schrik aan als hij, met zijn rode mantel in de lucht, in de schemering over de heidevlakten galoppeert, anderzijds is hij ‘de vriend der stropers’, hun deken en voorbeeld, ook in het goede. Als een drinkgelag van deze makkers ontaardt in een treiterpartij van de jood, maakt hij daar resoluut een eind aan en dwingt de raddraaiers tot een excuus. Dat verklaart veel van de ambivalente houding die de mooie herbergiersdochter Godelieve tegenover hem aanneemt: het rechtschapen meisje, dat als enige in staat blijkt, hem op de knieën te dwingen en uiteindelijk zijn leven zal redden.
Zoals in zijn successtuk Zand of Klei, buit Henri t’Sas het gegeven uit voor een hilarische typering van de Kempische (Brabantse) volksziel. Dat levert een reeks kleurige en vrolijke scènes op, waarmee t’Sas zich opnieuw laat kennen als een van de weinige succesvolle Nederlandse blijspelschrijvers van zijn tijd.
Een fragment
Ik tracteer mezelf en hopelijk u tenslotte op een fragment uit De Vuurwolf.
Daarin beklaagt Nathan zich over de houding die het christenvolk tegenover hem als jood aanneemt.
Er is een kerkdiefstal gepleegd. Gerechtsdienaren en een monnik, sluipenderwijs gevolgd door dorpelingen, verschijnen op het erf van het passantenhuis De Posthoorn in Wechelderzande, omdat ze de dader daar in de buurt vermoeden. Nathan verblijft in die herberg. Hij heeft er van afgezien met de hospes van de Posthoorn naar de jaarmarkt in Herentals te vertrekken, toen hij de laarzen van een zwerver uit de hooiberg had zien steken, laarzen waar de tenen doorheen steken.
Pagina uit een geïllustreerd weekblad over De Vuurwolf in het toenmalige openluchttheater De Boschkens in Goirle, 1948
Hij vermoedt een complot: ‘Dat is geen teen van ’n fatsoenlijk mens’. In dit fragment wacht hem een confrontatie met de zwerver, Peerke Raes geheten. De eerste dienaar gebiedt in naam van de schout dat het huis wordt doorzocht. Hij beveelt: Haal mij de hospes hier.
Zegt de herbergiersdochter, GODELIEVE: Vader is naar de jaarmarkt te Herentals.
EERSTE DIENAAR
Dat dan die Nathan voor ons verschijne. Ik wens hem te confronteren met deze verdachte, want voor mij staat het vast: wij hebben de steler en de heler beide. Gij jonge dochter, roep die Nathan.
Godelieve af.
Nathan op.
NATHAN
Gij roept de jood? Die komt ook ongeroepen. Is het niet weeral de jood die het moet ontgelden. Maar zingen doe ik niet ten tweede male, dat bezweer ik u bij de nagedachtenis van de onvergetelijke echtgenote die hier ergens begraven moet liggen. Eerwaarde vader? Nu ben ik gerust. Uw onderdanigste dienaar. Het is mij een eer, hier zo bij acclamatie ontvangen te worden. Ik ben maar ‘n domme, nietige aardworm, maar één zaak is me toch heel duidelijk: op uw bevel maken ze hier niet dat spektakel.
NORBERTIJN
Vriend…
NATHAN
Dat mag ik horen: vriend! U is de eerste die dat tegen mij zegt. En nochtans. Diagones in zijn klassieke ton heeft, met z’n lantaarntje in de hand, niet zo bloedig naar een mens gezocht als ik naar ‘n pietsie vriendschap.
NORBERTIJN
Het gaat hier om een hoogst ernstige zaak.
NATHAN
Heb ik ooit in m’n leven iets anders gekend dan ernst? Doelend op stropers: Die daar en al huns gelijken hebben mijn ziel – ik heb er een – tot berstens toe vol ernst gescholden, gespuwd, getreiterd, omdat ik zonder hun toelating als joodje ben geboren. Als heel klein joodje maar. Zo groot. Groter durfde ik niet ter wereld te komen. Ik vraag u: is dat mijn schuld? Het leven is geen jaarmarkt, waar ge uw vader en moeder te kiezen hebt uit het ongeregeld goed. Als ‘t aan mij gelegen had, was ik veel liever gebleven waar ik was. Maar ik ben helaas gaan groeien. Neem het me kwalijk! Nou ben ik ‘n ouwe jood met haar op z’n tanden. Dat haar hebben zij er op gezaaid.
EERSTE DIENAAR
Eerwaarde vader, dat geklepper van die windmolen brengt ons geen stap verder.
NATHAN
Laat me uitkrepperen. Ik dank god – chris en jood hebben dezelfde god, ge hebt het zelf geleraard – ik dank god dat gij, eerwaarde vader. hier staat. Nou mag, nou durf ik mijn nood klagen. – Maar laat me dan uitkrepperen voor ze weer een standbeeld van me maken boven op tafel, met konijnenvellen om m’n nek.
NORBERTIJN
Vriend, gij zijt voor mij en voor alle mensen van goede wil als iedere evennaaste en er zal u in mijn bijzijn niet het geringste leed geschieden. Maar spaar mij uw filosofie. Daar is het thans de juiste tijd niet voor. Wij wensen u te ondervragen.
EERSTE DIENAAR
En waarschuwen dat ge op uw antwoorden acht geeft. Kent gij deze zwerver?
NATHAN
Ten dele. Die grote teen heb ik meer gezien.
EERSTE DIENAAR
Zijt gij ooit eerder met hem in aanraking geweest?
NATHAN
Over het algemeen frequenteer ik deftiger relaties.
EERSTE DIENAAR
Gij zijt opkoper van goud?
NATHAN
Tegen de hoogste waarde, concurrentie uitgesloten.
EERSTE DIENAAR
Hebt gij afgesproken, elkaar deze nacht in deze herberg te ontmoeten?
NATHAN
Wie maakt er afspraak met iemands grote teen?
EERSTE DIENAAR
Heeft hij u ooit iets te koop aangeboden?
Eerwaarde heer, nu vraag ik u of ze me hier staan te beschwindelen of niet. Wat zal deze arme slokker mij te koop aanbieden? Z’n eerste geboorterech? ‘n Schuldbrief van de hertog? Of z’n galakostuum wellicht?
(Peerke Raes. Litho door Jan Strube, vriend en zielsverwant van Henri t’Sas.)
NORBERTIJN
Er is de afgelopen nacht een afschuwelijke misdaad gepleegd.
NATHAN
Gij zoekt een misdaaad bij mij? Bij Nathan? Zoek eerder een neet in die hooiberg. Ik ‘n misdadiger, ‘n moordenaar? Ik kan geen broed zien. Bij ‘n kind met ‘n bloedneus zinkt het bewustzijn me in de tenen. Ik roven, moorden, stelen? Zal ik eerder de pokken in me zolen krijgen. Hebt u ooit een jood zien roven, zien moorden, zien vechten, zien echtbreken; dronken gezien? Dat laat ik aan dat daar over. Hebt u ooit ‘n jood z’n vrouw zien mishandelen, oneerbiedig tegen z’n ouders gezien, onverschillig voor ‘n arm mens? Jaaaaah, een jood rooft, maaaar, met z’n bliksemende geest, die moordt…met z’n tong, zo is de jood gemaak. En de slachtoffers die ik beroof zeggen meestal nog: duizendmaal dank Nathan. Ik beroof de mensen om ze de kans te geven, zich weer rijk te maken. Ik vermoord ze heel dikwijls om ze van de dood te redden!
EERSTE DIENAAR
Wring en krom u zo geslepen als ge wilt… gij beiden blijft in handen van het gerecht. Uit en gedaan. Joachim, voorwaarts. Naar de schout.
———————————————————————————————————–
Einde van de lezing. Hieronder nog een drinkliedje uit De Vuurwolf met de door Henri t’Sas zelf bedachte muziek.
1. Henri t’Sas, een getuige van de negentiende eeuw (levensschets)
2. De Bredase verhalen van Henri t’Sas, met specimen
Drinkliedje uit De Vuurwolf.
Lezing over Henri t’Sas, deel 1: ‘Een Bredase getuige van de negentiende eeuw’.
Lezing over Henri t’Sas, deel2: ‘De Bredase verhalen van Henri t’Sas’
De Bredase verhalen van Henri t’Sas
(Lezing voor de Bredase Stadssociëteit De Gouden Cirkel op 24 januari 2005 door Guido t’Sas. Deel 2, de Bredase verhalen van Henri t’Sas.)
Twee uit één ei waren de laatste Bredase volkstypen die Henri t’Sas voor Dagblad De Stem (tegenwoordig BN De Stem) heeft beschreven. Dat was in oktober 1953. Tijdgebrek verhindert mij, juist dit artikeltje voor te lezen. Maar ik zal het met iets anders goed maken. Er waren aan die laatste volkstypen tientallen, misschien wel honderd aan vooraf gegaan. De serie werd abrupt beëindigd, toen bleek dat familie van Twee uit één ei nog in Breda woonde en zich aan het verhaaltje had gestoord. Nooit eerder waren er klachten geweest. Maar de toenmalige hoofdredacteur van De Stem, Jan Bruna, durfde de rubriek niet meer aan. Zo ging dat nog anno 1953.
Henri t’Sas, die brood op de plank moest houden en bij wie schrijven trouwens een verslaving was, liet zich niet uit het veld slaan en bedacht een alternatief: de rubriek Portret van een straat. Daar kon hij weer járen – zeg maar tot zijn dood in 1966 – mee vooruit.
De krantenartikeltjes van t’Sas waren in het algemeen tamelijk routineus geschreven, enigszins keuvelende stukjes, die evenwel ’n berg informatie over Breda’s verleden konden bevatten en die dan ook in knipselvorm de hele wereld over gingen, met name naar emigranten in Australië, Nieuw Zeeland en Canada.
Die informatie kan subjectief zijn, het is een vroege vorm van oral history. Aan de inhoud van t’Sas’ stukjes ontleen ik de stelling dat hij voor Breda van betekenis is, als getuige van de negentiende, en de vroege twintigste eeuw. Onder zijn typen treffen we bij voorbeeld het water- en vuurvrouwke aan, de houdster van de kakschool op het Begijnhof, de straatagent van weleer, die tijdens een opstootje op de schouder werd getikt met de vraag: ‘Edde gij geen flutje?’, de lantaarnopsteker met z’n laddertje, de trainer lichamelijke opvoeding aan de KMA, die op de vraag waar de Shakespeare zat, even diep nadacht en toen uitriep: ‘Ik héb het geweten’. En een Janus Jongbloed, die een dubbele rij ondertanden had en daarmee een rijksdaalder kon krombuigen, die ter bedevaart naar de Zoete Lieve Vrouwe, z’n vrouw op z’n rug van Breda naar Den Bosch droeg om geld uit te sparen voor z’n borreltje, die er zonodig werd bij geroepen om de ontspoorde paardentram in de rails te tillen, die Henri van de overkant van de Grote Markt toeriep: ‘Meneer Sas, edde nie ’n ouw jaske voor me’, die dezelfde t’Sas achter in de zaal van de Graanbeurs vroeg: Edde geen plak? En toen een bank onder de achterwerken van zes boerinnen uittrok, die, tenslotte op de lagere school tegen de ruitjes van de klasdeur tikte, omdat-ie wilde kijken ‘hoe ’t met m ’n zoontje gaat. Want, ’t is dat-ie zulke ongelukkige voetjes eet, maar anders was-ie allang kerdet op ’t Akkedemie gewist.’ Kortom, we zouden toch eens ’n selectie uit die stukjes moeten bundelen.
Ik vind het artikeltje dat ik nu ga voorlezen, heel typerend in z’n eenvoud en z’n informatieve strekking. Het heet: ’t Allef Maontje en verscheen op 2 augustus 1954 in De Stem. Let op de heersende sexuele moraal, op het toepassen van lijfstraffen op kinderen, op de geheimzinnigheid rond gevallen van suïcide.
’t Allef Maontje
’t Allef Maontje werd ’s avonds en ’s nachts geschuwd, het was er niet pluis. Overdag speelden er de kinderen en lepelde men er de ‘soep van kaartjes’ op. Eens heeft er zich iemand verdaan…
Dit oude verwaarloosde stukje Bredase grond is uit de herinnering van de meesten onzer verdwenen. Misschien dat de doffe klank van deze twee woorden iets in hen zal wakker roepen uit het Breda van rond de driekwarteeuw geleden. Dat iets lag in de lange Middellaan, ’n sikkelvormig stuk grond met hoog opgaande populieren, vandaar de benaming Allef Maontje. Een verloren stuk grond, tot niets nut en waarop later de school voor lager onderwijs verrees. ’t Had iets lugubers, iets griezeligs, door het donker dat er ’s avonds tussen en rond de bomen stond. Want er brandden geen gaslantaarns. Trouwens, de Middellaan was in die jaren heel, heel spaarzaam verlicht. De grond was bultig en vol kuilen. Gras en onkruid woekerden er bijna meter-hoog. En, in de verte, op ’n hoogte, stak de meulen van de Leuvenaarswal z’n wieken als om hulp smekend ten hemel.
Schuin tegenover ’t Half Maantje stonden de huiskes van Van Cooth en hier tegenover de zaal voor de bijeenkomsten van ’t Leger des Heils, waar om de haverklap geknokt werd, zodat de politie en de Veldartillerie er aan te pas moesten komen. De heilsoldaten werden soppers genoemd. Men begreep niet ’t goede dat er van uit kan gaan, beschouwde het als een antichristelijke beweging.
Achter ’t Allef Maontje, eenzaam bij de waterkant, tegenover de Tramsingel, stond ’t veerhuisje, lag het overzetbootje dat langs ’n ijzerdraad naar de overzijde werd getrokken tegen betaling van een cent per passagier. Dat veerhuisje had ook ’n winkeltje. Men verkocht er koffie, kruidenierswaren, nistels, gruune zeep en soda. En de schooljongens, prat op hun Nederlandse taal-kennis, beweerden dat er een bordje buiten hing: ‘Hier zet men koffie en over’.
’t Allef Maontje stond, wat men toen noemde, in ’t verdomboekske. Als vader en moeder in de gaten kregen, dat hun dochter met haar vrijer naar ’t Allef Maontje was gewiest, volgde er ’n rammeling die de jonge deern nog lang bleef heugen. De politie had tot consigne over ’t allef maontje ’n extra oogje in ’t zeil te houden. Jantje trek sabel, ’t agentje met de bakkebaardjes, de liefhebber van ’n lekker pruimke zware van Bielars, had er tabak van. Er had daar al eens ’n verwoede worsteling plaats gehad tussen de politie en ’n paar dronken veldbonken, omdat-ie gecommandeerd had: ‘D’r uit! Agge vrijen wilt, gaat dan onder ’t licht staan!’ Waar dat licht te vinden was, duidde hij niet verder aan.
Op klaarlichte dag bood ’t Allef Maontje ’n convenabele speelplaats aan de jeugd uit de omtrek. Dan zaten er zelfs moeders bij hun rieten kinderwagen te breien of sokken te stoppen. Dan lag vader er z’n pijp te roken. Dan werd er zelfs de soep van kaartjes, de gratis soep van de soeurs van ’t Gastuis naar binnen gelepeld. Dan speelde men er Foep en zong de jeugd, dansend in kring: ‘Zoekt dan maar ‘ne lieveling, sjiemdedera, dederasassa!’ Maar de avonden, vooral des zondags en donderdags, de uitgaansavonden van de dienstboden, werd ’t Allef Maontje geschuwd door al wat zich fatsoenlijk noemde. En geen wonder! Hadden ze me daar onder de bomen ’s maandagsmorgens heel in de vroegte niet ‘nnen dalk van ’n kind gevonden, dat daar was te vondeling gelegd! Heel de Middellaan en heel de Leuvenaarswal hadden er van op stelten gestaan. Hoe was ’t bij God mogelijk zo’n bloeike aan z’n lot over te laten? Als ze de moeder te pakken gekregen hadden, uit mekaar zou ze gescheurd zijn!
Een deel van ’t half maantje werd gebezigd als stortplaats voor huisvuil. De vrouwen uit de buurt die te laat kwamen met hun bakken voor de vulleskar, liepen maar eventjes richting half maantje en ledigden er hun asbakken, kartonnen dozen of afgedankte emmers. Van uniforme vuilnisemmers was natuurlijk geen sprake. En dat storten greep plaats onder en tegen een paal met het bordje ‘Verboden te storten’.
Maandenlang, dag en nacht, is ’t Allef Maontje gemeden. Geen sterveling, al was die nog zo’n braniemaker, durfde of wilde er, vooral tijdens het donker, ’n voetstap te zetten. Op ’n morgen was een van de huismoeders uit de buurt met haar volle kachelasbak naar de verboden stortplaats gestapt. Ze kantelde haar bak onder de paal en keek werktuigelijk naar de stofwolk, door de wind opgewaaid: Ze zag een koppel zolen onder een paar zwaar bemodderde schoenen en aan die schoenen zat, halverwege door de boombladeren verborgen ’n lijf. Ze smeet haar asbak neer, holde terug naar huis, schreeuwend: ‘Daar eet er eene z’n eigen opgangen!’
Binnen enkele ogenblikken liep ’t storm naar ’t Allef Maontje. Mannen, vrouwen, kinderen, alles stond naar boven te gapen, naar de onderste zijtak van ’n boom en niemand had de moed, ’n ladder te halen en naar boven te klimmen om te zien of er misschien nog iets te redden viel: ‘Allé, Tinus, klimde gij er es bij!’
‘Ik zou je blazen! Da mot de pliessie maar doen.’
Dat heeft de politie dan ook gedaan. ’t Werd ’n wedloop naar de Grote Markt. ’n Ogenblik later arriveerde de politie met ’n ladder en ’n brancard. Maar ’t volk moest op ’n afstand blijven en er werd ’n doek over ’t gezicht van de ongelukkige gelegd. En niemand is ooit te weten gekomen, wie zich in ’t Allef Maontje verdaan had.
Er is geen spoor van ’t Allef Maontje meer over en ’t zal niet heel lang meer duren, of de doffe klank van deze twee woorden heeft voor de Bredanaar niet de minste betekenis.
Henri t’Sas
Gepubliceerd in Dagblad De Stem van 2 augustus 1954. Hoofdzakelijk op interpunctie en spelling aangepast door Guido t’Sas, januari 2005.
Lezing over Henri t’Sas, deel 1: ‘Een Bredase getuige van de negentiende eeuw’.
Lezing over Henri t’Sas, deel 3: ‘De Vuurwolf, historie, legende, fantasie’.
Een getuige van de negentiende eeuw
Henri t’Sas (1877-1966) Lezing voor de Bredase Stadssociëteit De Gouden Cirkel op 24 januari 2005 door Guido t’Sas. Deel 1, levensschets van Henri t’Sas
Het moet op een zondagmiddag in 1883 of ’84 zijn geweest, dat er in de binnenstad van Breda brand uitbrak. Brand was, meer dan ooit, een sensatie in die tijd. Het volk trok, de vrouwen gearmd, joelend naar de onheilsplek: ‘Naar de brand, naar de brand’, zong de massa. Manvolk en opgeschoten jeugd holden vooruit en daarbij was als eerste een menneke in zijn communiepakje, dat Henri heette, maar in de stad natuurlijk Harrie werd genoemd.
Omdat hij klein en licht was, moest hij – je gelooft het niet, maar er is geen enkele reden om te veronderstellen dat dit Henri’s legendarische fantasie was – hij moest van de brandweer in de dakgoot van een pand ernaast de slang op de vuurhaard richten. Heel Breda stond te kijken. Het jochie in z’n communiepakje daarboven was de held van de dag.
Henri Sophie t’Sas, geboren op 9 augustus 1877 in Breda (en niet in ’t Ginneken, zoals vaak abusievelijk wordt gedacht) was het achttiende kind van de uit Brussel afkomstige Guillaume Antoine t’Sas en het vijfde kind van diens derde vrouw Marie Veldman, een Maastrichtse. Foto Leo Legrand: Henri t’Sas op ca. 30-jarige leeftijd.
Henri had bij zijn geboorte vier broers en zusters en acht halfzusters en halfbroers in leven. Vier waren overleden. Zijn oudste halfbroer was al 27. Enkele halfbroers en –zussen heeft hij dus niet gekend, maar met zijn eigen broers en zussen had hij een goede band.
Op 28 oktober 1877 schrijft vader Guillaume Antoine zijn zoon Edouard, koffieplanter in Nederlandsch Oost-Indië: ‘Ik heb Joseph gevraagd, u in kennis te stellen van de vermeerdering onzer familie. Mama is op 9 aug. l.leden op gevaar af, bevallen van een jongen, genaamd Henri. Zooiets komt mij in onze positie niet ten stade, geen hulp of ondersteuning, van wien ook genoten hebbende, hebben wij het hard te verantwoorden. Mama is uiterst zwak.
Guillaume had een textielfabriek aan de Haagdijk in Breda. Er werden tropenuitrustingen en uniformen gemaakt. In de tijd dat Henri geboren werd moet de zaak niet gefloreerd hebben. Drie jaar later zou Guillaume trouwens overlijden, Marie achterlatend met een slecht lopend bedrijf zonder opvolger en vijf kinderen, van wie de oudste – Jacqueline – veertien en de jongste, Henri dus, drie jaar.
Niet ‘t maar t’
Voordat Guillaume Antoine hier definitief uit beeld verdwijnt, lijkt het me aardig, nog een citaatje te plukken uit die brief aan Edouard in Indië:
‘Ik moet u bemerken Edouard, u naam te teekenen t’Sas, want Joseph heeft last met het Departement van Oorlog gehad en heb hem zijn geboorteakte moeten inzenden teneinde te constateeren dat hij t’Sas schrijft en niet ’t Sas, zoals in Zijn Stamboek abusievelijk was gezet. (Nog bij mijn huwelijk in 1957 verzocht Henri ten stadhuize Leeuwarden, onder enige hilariteit, alvorens mede te tekenen, de ambtenaar van de burgerlijke stand, die ‘komma’ van voor de t naar achteren te verplaatsen.)
In een van de honderden brieven, die Henri later aan zijn toenmalige verloofde, Dineke Schunterman, schreef, staat het zinnetje: ‘Ik heb de echte armoede gekend.’ Dat is waarschijnlijk niet overdreven. Mama (zoals hij het uitsprak) heeft het niet gemakkelijk gehad, maar sloeg er zich met hulp van haar kinderen en stiefkinderen goed doorheen.
Veel weten we er niet van, alleen dat de jonge Henri wasgoed moest bezorgen bij klanten, linnengoed dat zijn moeder gewassen, gestreken en gesteven had. Hij moest soms grote afstanden te voet afleggen en het gestreken wasgoed op uitgestrekte armen goed recht ophouden. In de vrieskou, wel te verstaan.
Henri had groot respect voor zijn moeder. Hij heeft haar vaak om raad gevraagd. Hij meende ook zijn gevoel voor humor aan haar te danken te hebben. Hoewel, in zijn Sturm und Drang-periode, die samenviel met zijn linkse ideeën, liet hij zich wel eens laatdunkend uit over wat hij als ‘kleinburgerlijkheid’ van zijn familie zag.
Marie Veldman (wat was Henri blij, toen een kleinkind Mariken werd genoemd!) haalde de 93 jaren en als zij in 1924 niet in een opengebroken riool was gevallen, was zij mogelijk honderd geworden, zei Henri.
De familie woonde aan de Boschstraat en later boven de in 1891 gebouwde en in de jaren zestig van de vorige eeuwdoor zogeheten modernisering vernielde schouwburg Concordia aan het Van Coothplein. Naar later bleek: dáár waar Henri’s ambities lagen. Het theater!
Harrieke ging naar de kakschool in het Begijnhof, bij Vrouw Metsie…
’Wie waren de eerste mensen?’ Pats! (harde slag met een lat op tafel).
‘Adam en Eva, vrouw Metsie!’
Er was er ook een die zei: Adank en Eva. (Adank is een bekende Bredase naam.)
Militair
Over Henri’s vervolgstudies weten we dat hij – een traditie in zijn familie – officier wilde worden, dat hij daartoe aan de kaderschool in Kampen al als 15-jarige een opleiding volgde, maar dat een ernstige oogziekte aan die opleiding een einde maakte. Ter geruststelling: Hij gebruikte de laatste jaren van z’n leven niet eens ‘n leesbril. De jongeman, die nog steeds voor zijn moeder en zuster Christine had te zorgen, heeft daarna van alles aangepakt om voor inkomsten te zorgen. Hij begon als handelscorrespondent in Brussel en werd later reiziger in suikerwerken. Baantjes die hem absoluut niet lagen en werk dat hij met tegenzin deed.
Wat hij wel graag deed was lezen. Hij was een uitgesproken autodidact. Thuis in de Nederlandse letteren. Luidkeels zijn bewondering voor Multatuli uitend in de halve eeuw dat niemand naar het werk van die schrijver taalde! Hij bestudeerde ook de Duitse en Franse literatuur. Hij kende de belangrijkste werken van Dante, Goethe, Shakespeare, Tolstoi. (Begreep hij een woord niet, dan zocht hij het op.) Vooral Tolstoi maakte in zijn jeugd veel indruk op Henri en voerde hem naar het Socialisme. Met de schrijver Pieter van der Meer de Walcheren heeft hij ooit achter de rode vlag gelopen. Aan het eind van zijn leven heette het: ‘Ik heb alle ismen verkend.’
Omstreeks 1903 leerde hij in een romantische setting het toen 13-jarige meisje Dina Schunterman kennen. Zij was geboren in Roelofarendsveen, maar groeide op als dochter van een rentenier aan de Brugstraat in Ginneken. Met Dineke is Henri acht jaar later – tegen de zin van haar vader, dus met de noodzakelijke toestemming van een kantonrechter – getrouwd.
Dineke en haar moeder zaten in de zaal, toen Henri zijn eerste grote theaterrol speelde: Larsen in Het Kind van Herman Heijermans. De liefde voor het theater en voor het dichten en schrijven was geboren.
Door het donker
Zijn eerste toneelstuk, een tragedie, heette Door het donker en had blindheid als Leitmotiv. Daar kon Henri, zoals we hebben gezien, over meepraten. Hij stuurde het stuk onder pseudoniem naar de Bredase Rederijkerskamer Vreughdendael en die nam het in studie. De première in Concordia werd een daverend succes. Toen de naam van de auteur vervolgens werd onthuld, werd hij met een lauwerkrans om op de schouders gehesen en onder applaus de zaal rondgedragen. Maar de diepere betekenis van dit succes is, dat het bij Henri de laatste twijfels wegnam, of hij wel iets zou kunnen betekenen als kunstenaar. Later zou blijken, dat zijn kracht niet lag in het schrijven tragedies, maar in de humor, dus in het schrijven van comedies en (hiertussen is enig nuanceverschil) blijspelen. Intussen borduurde Dineke op een pensionkamertje in Amsterdam de door Henri van Zeeland overgenomen lijfspreuk in rode letters op gele tafzijde: Luctor et emergo. Ik worstel en kom boven.
Zijn tweede stuk, Vleugellam, werd in 1907 uitgegeven door Gebr. Poot in Rotterdam. Wij, ik bedoel mijn broer Bernard, die heel veel stof voor dit verhaal heeft aangedragen, en ik zijn niet helemaal zeker, maar in dit stuk gaat het waarschijnlijk over ‘de dwingelandij van een ouder over zijn kind’. Ook daarover kon Henri, gezien de situatie van Dineke, meepraten. De première was deze keer in de Tivolischouwburg in Rotterdam.
Henri t’Sas in 1907. Foto Leo Legrand
Intussen schopte onze aankomend kunstenaar het al tot erevoorzitter van Kunst na Arbeid (wat dat ook geweest mag zijn) in Breda en tot bestuurslid van de Nederlandsche Bond van Toneelvereenigingen te Amsterdam. Hoewel hij dit soort functies niet zocht, heeft hij ze aanvaard, waarschijnlijk omdat ze de verspreiding van zijn naam en werk ten goede zouden komen. Hij bood zijn eerste stukken ter lezing aan aan onder anderen Louis Bouwmeester, die hem vroeg voor hem een eenacter te schrijven. (Wat daar van terecht is gekomen, weten we niet.)
Zijn eerste poging, een blijspel te schrijven was De Philantroop, uitgegeven bij Van Schijndel in Breda. Het werd in 1908 op veel plaatsen in Nederland opgevoerd.
Heijermans
Ook als acteur bleef Henri actief. Het stuk ‘In de Jonge Jan’, een zogeheten transformatiespel van Herman Heijermans, fascineerde hem. Hij speelde alle rollen op een na – die van onderzoeksrechter lag in handen Van Louis Le Grand, een vriend uit de kring van Vreughdendael en bekend fotograaf aan de Ginnekenstraat in Breda. Le Grand maakte schitterende foto’s van Henri in die Jonge-Jan-rollen. Ze werden geëtaleerd in de plaatsen waar hij optrad. Henri schrijft zijn Dineke – of zijn Brakske, de Bredase uitdrukking voor kwajongen – over een van de voorstellingen:
‘Het was één roep, Dina. De zaal vol en uitbundig applaus na iedere rol, ook midden in de rollen. (…) Onmiddellijk word ik voor twee nieuwe speelavonden gevraagd. En zoo juist ontving ik van Orpheus een aanvraag voor 1 en 5 September e.k.’
In hetzelfde jaar – we zijn dan in 1907 – verschijnt zijn eerste bundel novellen In en om Breda die een beschrijving bevat van de stad in zijn jeugd. Het eerste specimen waarop ik de titel van deze lezing heb gebaseerd: Een Bredase getuige van de negentiende eeuw. Het karakter van deze schetsen is puur Brabants en geeft het leven weer van gewone mensen. Later schreef hij nog eens in dezelfde trant: Schetsen uit het dagelijksch leven. Maar zijn eerste kleine roman, Op den Tweesprong, had het beste plaatsje in zijn hart. Om die te kunnen schrijven verbleef Henri een tijdje op de boerderij van Janeke Koijen in Molenschot, waar hij persoonlijk de sloot heeft staan uitvlaggen. Het dialect van die streek is er ook in vastgelegd. Trouwens, dezelfde grond diende hem als inspiratiebron voor zijn successtuk Zand of klei, dat nog steeds wordt gespeeld. Elke keer als ik op de A58 onder het viaduct De Hoge Aard doorrijd, doet dat toponiem mij aan Zand of klei denken.
Militair 2
Dicht bij het volk, dat is altijd het kenmerk van Henri’s geschriften gebleven. Zijn blijspel Het Generaalsvrouwtje gaat over een volksvrouw, die met een generaal is getrouwd. Zijn inspiratie daarvoor deed hij op uit pakweg drie woorden, die hij zo’n vrouw, staande in haar deuropening, hoorde roepen. Het Generaalsvrouwtje zou niet de laatste ontboezeming zijn van Henri over het militaire leven in Breda – een cultureel gegeven dat, zoals men weet, nog steeds niet uit de stad is weg te denken.
Henri t’Sas en het volk. Uit zijn correspondentie uit 1909 met Dineke Schunterman, blijken zijn verontwaardiging over de sitatie en zijn zorg voor armen en misdeelden in zijn omgeving. Hij stuurt haar literatuur over dit onderwerp, echter wel met de waarschuwing: laat de titel niet aan meneer Jansen (haar toenmalige werkgever) zien. ’t Is een sociaal-democratisch werk…’ En ’n paar dagen later schrijft hij Dineke, de rijkeluisdochter: ‘Het is hier in Breda erg woelig. Voor de fabriek van Klep zijn natuurlijk dagelijks opstootjes, die door de politie uit elkaar gejaagd worden. De liefdadigheidsvoorstelling zal wel niet door gaan.’
Henri was dus sociaal-democraat, werd als zodanig kandidaat gesteld voor de gemeenteraad van Breda. ‘Overal in de stad en op trams mijn naam’ schrijft hij. Maar door tegenwerking van zekere zijde (te raden valt: de katholieke partij) is hij niet gekozen. Een opluchting, want veel liever besteedde hij zijn tijd aan schrijven en theater. Hij ging in 1909 – en dat was me wat in die tijd – naar Parijs, om, zoals hij zei, ‘stof op te doen’. Hij bezocht de Opera, de Moulin Rouge en liet zich een knipselsilhouet (repro hierboven) maken aan de voet van de Eiffeltoren, at soep op straat met de arbeiders van Les Halles. Bij een herhaald bezoek, diepte hij liederen op van Theodore Botrel en Xavier Privas, die hij vertaalde en in beide talen zong. Henri was zeer Frans georiënteerd. Dineke niet minder. Zij was bij Franstalige nonnen in Zaventhem op kostschool geweest en droomde in het Frans. Henri’s belangstelling voor de Franse geschiedenis blijkt uit de comedie ‘In ’t Ooievaarsnest’ over adellijke gekte vlak voor de revolutie, die hem van een recensent de titel ‘Nederlandse Molière’ opleverde. Toemaar.
Dineke’s verslag van haar trouwdag in Amsterdam op 4 augustus 1911 is te mooi om hier weg te laten: ‘We trouwden ’s morgens om tien uur met tien paren tegelijk voor tien gulden, dat was ’t voordeligst. Getuigen waren een onderwijzer, een student medicijnen, een schilder en een zakenman. ’s Middags gingen we met z’n allen in een wherry op de Amstel varen naar ’t Kalfje, dat was onze huwelijksreis.’
Trouwboekje voor het raam
Henri had ’n huisje gevonden in de Prins Hendrikstraat in Ginneken, niet ver van het pleintje dat in de jaren zeventig naar hem is genoemd. Daar begon het artiestenpaar met één rijksdaalder huishoudgeld. Om rond te komen moesten ze kamers verhuren en onder anderen ma Schunterman, die volledig op hun hand was, stopte de jongelui zo nu en dan wat toe. Aangezien er onder de omwonende Ginnekenaren enige twijfel bleek te bestaan over het zedelijk gehalte van die artiesten, zette Henri voor alle duidelijkheid hun trouwboekje voor het raam.
Foto Leo Legrand: Henri en Dineke kort na hun huwelijk in 1911.
Maar Henri kreeg veel werk als regisseur van het operettegezelschap Aurora in het trouwens over de hele linie zéér zanglustige Oosterhout en Dina mocht meedoen in die voorstellingen. Dat heeft daar wel tien jaar geduurd en over ‘stof opdoen’ gesproken, die Oosterhouters waren geboren practical jokers en de verhalen daarover galmen nog na in mijn oren.
Schoonpa Schunterman heeft die Sas voor zijn dood toch nog op z’n minst ‘de gunst van zijn twijfel’ geschonken. Hij liet zelfs, toen Dina haar eerste kind verwachtte (Diny – zou nog gemeenteraadslid in Breda worden, maar wel voor de KVP!) in de tuin aan de Ginnekense Brugstraat een huisje voor hen bouwen: Par nous pour nous.
In 1912 werd Henri redacteur van een nieuw cultureel weekblad: Onze Courant, opgericht door zes Bredanaars. Maar dat werd een financieel debacle omdat de opbrengst door teveel mensen gedeeld moest worden. Henri nam het blad alleen over, vond een drukker in Utrecht en werd hoofdredacteur-distribueur, d.w.z. Dineke plakte de postzegels.
In het blad kon hij fijn kritiek leveren op zijn omgeving. Hij was links en spuide zijn mening over het overheidsbeleid. Zijn eigen schetsen waren ook nogal moraliserend. Lang heeft het blad niet bestaan. De Eerste Wereldoorlog kwam eraan. Er volgde nog een poging met een weekblad: De Bibliotheek, waarin onder allerlei pseudoniemen heel wat Sassen schreven. Totdat Gerard Hendriks, uitgever te Helmond, tegen Henri zei: ‘Hou toch op met dat geknutsel, kom met ons meedoen in De Nieuwe Eeuw. Nou, dat heeft Hendriks geweten. Het zou uitdraaien op meer dan duizend verhalen. Een vaste bron van inkomsten. Met name via het weekblad De Nieuwe Eeuw zou Henri bekendheid krijgen, vooral onder katholieke gezinnen in heel Nederland. Zijn pen was niet meer zo rood. Met het klimmen der jaren en het toenemen van het succes kwam hij er achter, dat hij daar niet zoveel verder mee kwam. Door die bekendheid
Kwam ik in 1956 ‘als zoon van’ gemakkelijk binnen bij de Friese familie van een pas ontdekt meisje.
Blijspelen
Mensen als Pieter van der Meer en Max van Poll gaven aan De Nieuwe Eeuw een solide basis. Henri had aan hen ‘vrienden voor het leven’. De Eerste Wereldoorlog leverde hem een nieuw blijspel op: Vluchtelingen, uitgegeven door Heynis in Zaandijk. Daarna schreef hij, aangespoord door Heijnis, die er ook flink aan verdiende, en door zijn volgende uitgever, Vink in Alkmaar, het ene stuk na het andere. Wel was het inmiddels duidelijk, dat hij niet zou doorbreken bij de beroepstoneelgezelschappen. Daarvoor was hij wellicht te ‘zuidelijk’, terwijl het blijspel als genre in het dominante calvinistische Holland, nauwelijks voet aan de grond kreeg. ‘Goed voor dilettanten’, zoals amateurs toen werden genoemd. Terwijl Henri er als regisseur en scribent in het tijdschrift Ons Toneel alles aan heeft gedaan, het dilettantisme eruit te halen. Bijna tot zijn dood bleef hij regisseur van Comedia in Rijen – werd ten leste wekelijks met een taxi gehaald en gebracht. En de club won cultuurprijzen, tot Henri’s grote voldoening. Maar we lopen vooruit…
Pa Schunterman overleed, gestimuleerd door de vaten wijn die hij jaarlijks vanuit Frankrijk had laten aanrukken en Henri betrok met zijn gezin het grote herenhuis Brugstraat 2. Par nous, pour nous werd gereduceerd tot een prieeltje.
Omstreeks 1923, het jaar waarin het vierde kind – Catherine – werd geboren, begon het wonen en werken in Ginneken het kunstenaarspaar een beetje te vervelen. Als ze niet uitkeken, kwamen ze elkaar ook nog eens dagelijks tegen bij de beroemde hardstenen dorpspomp op de Markt, waarover Henri in een VVV-brochure had gerijmd:
Ik staai hier nou al jaren waterloos,
Verslagen deur ’n koperen kraantje
’n Slinger die nie gaat, ’n teut die nie meer gift,
‘k Mopper nie, maar ’t is me toch ’n baantje.
Foto Anton Henning: Henri als troubadour, ca. 1935. Foto Anton Henning.
Brussel
De verveling leidde tot het besluit naar Stockel, forensenplaatsje tussen Brussel en Tervuren, te verhuizen. Ze huurden daar een gemeubileerde villa met garage en fraaie tuin voor een habbekrats. Henri ging nu ook bijdragen leveren aan diverse kranten in Nederland: Brieven uit Brussel. ‘Klein Parijs’, zoals het toen werd genoemd, was een interessante stad, had allure, de mensen leefden er Bourgondisch en de verschillen met Nederland waren groot. Je leefde er als Nederlander goedkoop. De frank stond laag en de fiscus deed er toen nog tien jaar over eer zij je gevonden had.
Henri en Dina kregen personeel, Dina kon er genieten van het mondaine leven. Niet te versmaden is de anecdote over het bezoek van de niet al te fijn besnaarde Oosterhoutse kunstschilder Toon Laerbuch, die Henri tijdens een dames-theevisite op luide toon vroeg: ‘Wanneer dondert die wijven-patrouille eens op?’ En de dames, die alleen het woord patrouille hadden verstaan: ‘Q’est qu’il dit?’
Was in Nederland een aantal toneelwerken voltooid, als Pastor Bonus, Fata Morgana, Z’n weledelgestrenge (weer de militaire wereld) en Peper (over zwarte handel in de oorlog), in Brussel ontstonden Henri’s beste romans, Jacob
Janson’s Liefde, Het Donderbeestje en Het vrolijke panopticum. Het blijft vrolijk. Daarnaast ging Henri, soms samen met Dina, steeds vaker op toernee. Met zijn twaalfsnarige luit en meestal door een gelegenheidspianist begeleid op de piano. Hij was sterk geïnspireerd door de kleinkunstenaar Jean-Louis Pisuisse, maar gaf er wel zijn eigen kleur aan.
In 1931 keerde hij met zijn gezin terug naar het Schuntermanhuis in Ginneken, dat hij – nu in goeden doen verkerende – drastisch liet moderniseren en van cv voorzien. Voor Dina, die Brussel ongaarne verliet, ’n soort troostprijs. Maar de kinderen moesten naar de middelbare school.
In ‘t Rooversnest
Henri liet zich ook een riante werkkamer en een muziekkamer bouwen. Aan zijn schrijftafel ging hij dan ‘zijn brood zitten verdienen’, zoals hij het altijd zei. Of hij tokkelde op zijn luit. Hij had een goed gehoor, was zeer muzikaal, hoewel kon noten lezen noch schrijven. Maar hij kon de melodielijn wel volgen en had met de interpretatie van de muziek geen enkele moeite. Op de luit dokterde hij de zelfgevonden melodieën voor zijn openluchtspelen uit. Voor het op papier zetten van ’t een en ander vond hij altijd wel iemand die dat kon. Jac Maessen, Breda’s componist, schreef muziek bij zijn lied over de Bredase toren, Anton Maessen speelde het op het carillon: ‘Hoort nu de bronzen monden zingen’.
Van die werkkamer kan nog worden gezegd, dat ze een grote schouw had waarboven in policinelleletters de intrigerende tekst In ’t Rooversnest stond. Een satirisch grapje richting Stijn Streuvels, die immers in Het Lijsternest woonde? Nee, een verwijzing naar een amateuristische overval op het postkantoor in ’t Ginneken, waarbij de dief, via het Postlaantje nagezeten door de veldwachter én burgemeester Serraris, het in staat van verbouwing verkerende huis van de Brugstraat in vluchtte. Het schijnt dat de arrestatie daarna niet geheel vlekkeloos verliep, aangezien een van de twee, de burgemeester of de veldwachter – wie mag ik kwijt wezen – ruggelings in een kalkkuip zou zijn gevallen. ‘Help de dokter verzuipt’ moest nog uitgevonden worden – door Toon Kortooms wel te verstaan.
Het fenomeen openluchttheater bleef Henri enorm boeien. In de jaren 1940 tot 1960 schreef hij onder meer De Vuurwolf, het al genoemde Ooievaarsnest en een stuk over de Franse Revolutie, waarvan Dina denk ik terecht zei dat het ‘uitgaat als een nachtkaars’: De hoefsmid van Saint Saturnin. Beetje slecht gesternte, denk ik, want tegen de uitvoering in het stadspark Valkenberg, dat daarvoor moest worden afgesloten, werd in ingezonden stukken in De Stem fel geprotesteerd. Bijna even fel als tegen de verkeersweg die later precies over het geïmproviseerde openluchttheater werd getrokken.
Den Deijl
Opnieuw een stuk Bredase culturele geschiedenis: In de jaren dertig liet de Rotterdammer Jan van Deijl, een employé van de Holland-Amerikalijn, wiens vrouw om gezondsheidsredenen schone boslucht diende in te ademen, een groot huis bouwen aan de rand van het Mastbosch, achter de Galderse Heide. Dat kon toen nog zomaar. Dina kwam met het echtpaar Van Deijl in contact via haar bridgehobby. Ze zei tegen de vrouw van Van Deijl, die veel te jong was om al avant la lettre te vutten: ‘Als ik jou was, begon ik hier een theeschenkerij.’ Zo gezegd, zo gedaan. Huis Den Deijl, later beroemd om de zelfgebakken appeltaart, was geboren.
Jan van Deijl was een slimme man met grote belangstelling voor kunst en cultuur. Hij oogde ook meer als een kunstenaar dan als een horecafiguur. Op een gegeven moment kocht hij voor ‘ge weet maar nooit nie’ de afbraak van een oude molen, ’n paar duizend handgevormde bakstenen. Daar liet hij om te beginnen een lokaliteit van bouwen, die gedurende vele jaren ‘Kunstzaal Den Deijl’ zou heten. Henri, die ook beeldende kunst recenseerde, zag dat allemaal en zei: Jan, je weet nou toch nog niet wat je verder met al die bakstenen gaat doen, maar als ik jou was, zou ik daar achter je etablissement een leuk amfitheatertje mee bouwen.’ Helemaal bezeten was Henri van openluchttheater en dit was het einde. Het duurde niet lang of Henri en Dina speelden daar met beroepsacteurs Molières De schelmenstreken van Scapin.
Foto: Molière in Den Deijl. Henri geheel rechts. Links: Jan Boezer.
En kort daarna ontstond dus Henri’s spektakelstuk De Vuurwolf, voor mij niet meer en niet minder dan het bewijs voor zijn kunstenaarschap. Al is het alleen maar om de prachtige taal.
De serie uitvoeringen onder zijn regie, met de onderwijzer Piet Dirken in de titelrol, was zo’n groot succes, dat Van Deijl zei: ‘Dat mag je hier elke zomer herhalen.’ Voorlopig bleef het bij één reprise in Concordia, waarbij als ik het wel heb een echt paard ten tonele verscheen. In de oorlog was het weer Den Deijl. Maar Henri zag zich genoodzaakt, de eveneens dragende rol van de jood Nathan als zodanig ‘onherkenbaar’ maken. Het personage heette in die bewerking Clovis. Zelfcensuur met in artistieke zin fatale gevolgen. Helaas kan ik die bewerkte tekst niet meer vinden.
Na de oorlog keerde De Vuurwolf bij Den Deijl in volle glorie terug, onder regie van Harrie Kessels.
Toen Jan van Deijl sr. overleed, werd de kunst bij Het Huis overvleugeld door de commercie. Het theatertje is nu een gemiddeld terras, waar ’s zondagsmiddags een pilsje wordt gedronken.
Harde oorlogsjaren
De Tweede Wereldoorlog is het gezin t’Sas niet in de kouwe kleren gaan zitten. Om te beginnen was er de vlucht op 12 mei 1940, die voor de familie zes weken duurde met als verste punt de haven van Oostende. Hieraan hield Henri wel een aardige reportage in boekvorm over. Dina vond de vlucht achteraf ‘zoiets als de leukste vakantie allertijden – we hebben maar één dooie gezien en dat was een paard’. Het huis aan de Brugstraat stond er nog. Tot aller opluchting, maar het was wel zwaar beschadigd en het zou niet de laatste keer zijn dat het door oorlogsgeweld werd getroffen. Je kunt rustig zeggen, dat het er nooit meer bovenop is gekomen.
Aanvankelijk trapte Henri in de val van het door de Duitsers verplichte lidmaatschap van de Cultuurkamer, maar toen de ware aard daarvan doordrong, simuleerde hij liever niks uit te voeren. Dina schermde hem af voor de Duitsers die wel degelijk probeerden, hem voor de troepen te laten optreden. Ze zei: ‘Mijn man is ziek.’
Natuurlijk schreef hij door en natuurlijk had hij in achterafzaaltjes zijn optredens. Het werden vaak bruiloften en partijen en het kon ook gebeuren dat Henri en Dina aanzaten bij een priesterfeest van een boerenzoon en het tafelzilver gebruikten, dat zij daar in ruil voor eten hadden ingeleverd. Terwijl bij de plaatselijke slager een geërfd schilderij uit de Haagse School in biefstukken werd omgezet. Intussen zat Henri’s oudste zoon en naamgenoot – in 1942 op slinkse wijze ‘opgeroepen’ – in krijgsgevangenschap in Stanislau. Hij is gelukkig teruggekomen.
Toen de oorlog was afgelopen, was Henri 68. Op zijn zeventigste werd hij door Breda in de bloemen gezet na een Vuurwolf-voorstelling. Er volgde een moeilijke periode: Henri stortte geestelijk in, na een regiemiddag van alweer De Vuurwolf in Goirle. Dat heeft een jaar geduurd. Ondergetekende, tikte intussen, op verzoek van zijn moeder af en toe een verhaal van hem uit De Nieuwe Eeuw over, om vaste afnemers te bedienen.
Bandrecorder
In 1952, tijdens de feesten rond 800 jaar Breda, viel Henri opnieuw een grootse huldiging ten deel ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag. Niet lang daarna verkocht hij het huis aan de Brugstraat (inmiddels Duivelsbruglaan
voor heilloos gebleken plannen aan de gemeente Breda en betrok een aardige nieuwbouwwoning in een blokje van drie aan de Ulvenhoutselaan. Daar heeft hij nog tot zijn dood in 1966 zitten tikken op de Erica kofferschrijfmachine, die gratis door de vakman Goverde werd onderhouden, op belofte dat hij hem later zou krijgen. En….droeg hij nog eens de hele ‘Jonge Jan’ voor voor het plastic microfoontje van de bandrecorder, die zoon Bernard voor hem had geregeld. Hebben we fijn de band nog!
Met dank aan mijn broer Bernard voor de geordende gegevens en de genoteerde herinneringen.
Bibliografie: Schrijversinfo
